Kwantitatieve analyse van chloorligninesulfonzuren in Rijnwater en drinkwater

Back to all publications

Publication date
Reference W.M.G.M. van Loon, R. de Groot and J.J. Boon, Kwantitatieve analyse van chloorligninesulfonzuren in Rijnwater en drinkwater, H2O 27, 328-334 (1994)

Er is een nieuwe analysemethode ontwikkeld voor hoogmoleculaire (molecuulgewicht > 1.000) chloorligninesulfonzuren in Rijnwater en drinkwater. Deze stoffen worden geloosd door papierpulpfabrieken aan de Rijn en hebben een verhoging van het AOX-gehalte van deze rivier tot gevolg. De doelstoffen worden geïsoleerd uit rivierwater en drinkwater door macroporeus XAD-8 hars, kationwisseling, ultrafiltratie en vriesdrogen. De zodoende verkregen hoogmoleculaire materialen worden geanalyseerd met pyrolyse-gas chromatografie-massaspectrometrie-single ion monitoring (Py-GC-MS-SIM), waarbij specifieke pyrolyseprodukten van chloorligninesulfonzuren, chloor-2-methoxyphenolen, worden geïdentificeerd en gekwantificeerd. Het blijkt dat in Rijnwater 180-310 µg/l chloorligninesulfonzuren voorkomen; in gezuiverd WRK-water komt 30 µg/l voor en in drinkwater van Amsterdam 60 µg/l. De totale AOX-bijdrage door pulpfabrieken aan Rijnwater blijkt 1-2 µg AOX/l te zijn, wat met 5-9% van de Rijn-AOX (22 µg/l) overeenkomt. De waterzuivering van de WRK verwijdert 85% van de opgeloste chloorligninesulfonzuren. Het blijkt dat circa 12 µg AOX/l door gehalogeneerde aquatische humus- en fulvinezuren wordt veroorzaakt, wat betekent dat 55% van de Rijn-AOX van natuurlijke oorsprong is. Deze invoer van natuurlijke organohalogeenverbindingen is niet saneerbaar.